Blog. Van Jeruzalem naar Bouillon #38: Antisemitisme is geen noodlot

Date: 16 november 2021

De beruchte trappen van Mauthausen.

In een zoektocht naar creativiteit, humanisme en vooruitgang loopt filosoof Ralf Bodelier een omgekeerde kruistocht van Jeruzalem in Israël naar Bouillon in de Belgische Ardennen. In deel 38: de jaarlijkse herdenking van de bevrijding van concentratiekamp Mauthausen wordt ruw verstoord door corona-activisten die een speech van Hitler afdraaien.

Ralf Bodelier, Groene Amsterdammer. 15 november 2021

Het is stil in Mauthausen, het grootste concentratiekamp in Oostenrijk. Hitlers lievelingsstad Linz ligt vier uur lopen verderop. In 1938 hoorde een uitzinnige menigte op de Hauptplatz van Linz dat zij een eigen concentratiekamp zou krijgen. Daarin zouden alle Oostenrijkse ‘volksverraders’ worden opgesloten. Bij een belofte bleef het niet. Meer dan tweehonderdduizend mensen zaten hier gevangen, de helft werd vermoord. Nu hangt een gouden herfst tussen de heuvels rond Mauthausen. Ik kijk uit over de enorme granietgroeve waarin de gevangenen moesten werken. De steile trap, waarover zij brokken steen naar boven droegen, is met hekken afgesloten. Gevangenen die onder hun zware last bezweken, werden op deze trap simpelweg doodgeslagen of de diepte ingetrapt. In de jaren na de oorlog kreeg de trap massieve leuningen. Toch hangt op het hek dat hem nu afsluit een bordje met de mededeling dat de trap ‘niet meer voldoet aan de tegenwoordig geldende veiligheidsvoorschriften’. Je zou het vooruitgang kunnen noemen.

Op 14 mei van dit jaar herdenkt de Oostenrijkse president Alexander Van der Bellen 76 jaar bevrijding van Mauthausen. Terwijl hij zich op de voormalige appèlplaats uitspreekt tegen racisme en antisemitisme verzamelen zich op een parkeerplaats voor het kamp dertig corona-activisten. Vanaf een platte kar met geluidsboxen protesteren zij tegen de Oostenrijkse coronamaatregelen. Plots davert uit de boxen de stem van Adolf Hitler. Het is een fragment uit een beruchte toespraak uit 1933 in Siemensstadt. Hitler zegt in die toespraak het volgende: ‘De strijd tussen de volkeren en de onderlinge haat worden gecultiveerd door een zeer specifieke groep die daar belang bij heeft. Het is een kleine, ontwortelde internationale kliek die de volkeren tegen elkaar ophitst.’ Even zwijgt de aanstaande dictator. Uit het publiek klinkt vervolgens een stem, versterkt en keurig getimed, die met één woord duidelijk maakt om wie het gaat: ‘joden’.

Nog geen dertig seconden duurt het geluidsfragment. De politie grijpt meteen in en de activist die het afspeelt wordt afgevoerd. De verontwaardiging is groot. De Oostenrijkse minister van Justitie zegt geschokt te zijn. Ze spreekt van een dieptepunt in een hele rij antisemitische gebeurtenissen in de afgelopen maanden, waaronder een aantal anti-Israël-demonstraties. De minister noemt het een zeer verontrustende ontwikkeling. Tegen deze waanzin hadden de honderdduizend doden van Mauthausen een waarschuwing moeten zijn.

Hitler tijdens zijn speech in Siemensstadt 1933

Nu weten we allang dat het zo niet werkt. Na ’45 groeide het ‘secundaire antisemitisme’: joden worden niet gehaat ‘ondanks’ Mauthausen, Auschwitz of Treblinka maar ‘dankzij’ de vernietigingskampen. Voor nogal wat hedendaagse antisemieten is het besef simpelweg ondraaglijk dat hun warme familie, hun geliefde stad of hun superieure cultuur heeft bijgedragen aan zo’n onvoorstelbaar misdrijf. En wat ligt dan meer voor de hand dan dader en slachtoffer stuivertje te laten wisselen? Door jezelf, je idealen of je cultuur onschuldig te verklaren en de schuld van alle kwaad bij de slachtoffers te leggen? Bij de ‘joodse speculant’ Soros, bij een vermeende ‘joodse elite’ of de ‘joodse apartheidsstaat’ Israël? De moderne antisemiet kan de joden Auschwitz maar niet vergeven.

In De Groene van 23 oktober geeft Marcel Möring een somber overzicht van jodenhaat anno 2021: ‘Alles wat ooit tot het klassieke antisemitisme werd gerekend – de jood als kwalijke macht achter de macht, als kosmopoliet zonder loyaliteit, als vergiftiger van bronnen, als antichrist en kapitalist – is in een nauwelijks ander jasje weer volop aanwezig.’ Möring heeft het niet over secundair antisemitisme. Hij werkt met een andere definitie. Zodra iets gebeurt dat ons voorstellingsvermogen te boven gaat, waaronder een pandemie met vijf miljoen doden, wordt de jood van stal gehaald. ‘Als de jood niet had bestaan, zou de antisemiet hem hebben uitgevonden’, schreef Sartre in 1943. En Möring zegt het hem na: ‘Als er iets gebeurt dat te groot is voor het bevattingsvermogen, iets wat niet verklaard of geaccepteerd kan worden, dan moeten er onbekende krachten zijn aan wie dat toegeschreven kan worden.’ En die onbekende krachten, zo roept telkens weer een anonieme stem uit het publiek, dat zijn de joden. De antisemiet heeft het ‘idee van de jood’ nodig om zijn wereldbeschouwing rond te krijgen en al wat hem angst aanjaagt een gezicht te geven. Antisemitisme is het verklaringsmodel van de simpelen.

Een week na Mauthausen wandel ik Duitsland binnen. Vier dagen later bereik ik Deggendorf. Ik daal af naar het romantische stadje vanuit de heuvels. In de verte glinstert de Donau. Eeuwenoude huizen in pastelkleur leunen dromerig tegen elkaar. Uit de bakkerijen op de Luitpoldplatz geurt vers brood. Bij een kleine fontein genieten ouderen van de winterzon. Op de kop van dit plein staat de Kerk van de Heilige Petrus en Paulus, in de volksmond de Grabkirche. Want het Grab, de crypte van deze kerk, was tot 1992 een bedevaartsoord. En wat hier werd gevierd, is vandaag niet meer voorstelbaar.

In de crypte werden tien hosties tentoongesteld. Volgens een hardnekkige mythe zouden deze heilige stukjes brood door de joden van Deggendorf zijn gemarteld. Dat zou zijn gebeurd in 1337. De hosties, aldus de mythe, werden gestolen, door de joden met een doorn bekrast en met een priem doorstoken. Ze sloegen er met hamers op en smeten hen in het vuur. Uiteindelijk gooiden de joden de hosties in de waterbronnen. Wonder boven wonder overleefden de hosties de rauwe behandeling. Sterker nog, ze zweefden op eigen kracht uit de bronnen omhoog naar een kelk die de katholieken van Deggendorf voor hen hadden klaargezet. Opgelucht dragen de Deggendorfers hen terug naar de kerk.

Verbranding joodse gemeenschap Deggendorf 1338

De vermeende daders, de joden, komen er minder goed vanaf. Op 30 september 1338 wordt de hele gemeenschap samengedreven bij de synagoge op de Luitpoldplatz en levend verbrand. Op oude afbeeldingen zie je hen zitten, omringd door vlammen terwijl een stadsgenoot nieuw hout aandraagt. De synagoge wordt verwoest. Op de plek van de massamoord verrijst niet veel later de Grabkirche. Met de geredde hosties in haar crypte verwordt deze kerk tot een van de belangrijkste bedevaartsoorden van Beieren, Bohemen en Oostenrijk. Meer dan zeshonderd jaar lang, tot 1992 dus, vindt de jaarlijkse ‘Deggendorfer Gnad’ plaats. In de crypte vinden de bedevaartgangers niet alleen de tien hosties maar ook de priem en de doorn waarmee ze werden gemarteld. Bij de attributen hangt een tekst uit 1450: ‘De ijver waarmee christenen de joden vermoorden, is God welgevallig. Ze worden uitgeroeid. God geve, dat ons vaderland te allen tijde van dit helse bederf mag worden verlost.’

Deggendorf is niet de enige stad waar in de middeleeuwen joden werden vermoord. Het gebeurde in tal van plaatsen in Midden-Europa. Of de mythe daadwerkelijk aanzette tot slachtpartijen is niet zeker. Historici menen dat joden vaak werden gedood omdat nogal wat christenen bij hen geld hadden geleend. Door hun schuldeisers om te brengen hoefden ze dat niet meer terug te betalen. Bovendien konden ze zich vergrijpen aan hun bezittingen. De hostielegende diende daarbij als rechtvaardiging. De herkomst van de mythe ligt voor de hand. Volgens het Nieuwe Testament lieten de joden Jezus martelen en kruisigen. In hun duivelse slechtheid konden ze het vervolgens niet laten om ook Jezus’ aanwezigheid in de hostie te martelen en te vermoorden.

Ik loop om de kerk heen. Boven de toegangsdeur bevindt zich een kleurig tafereel waarop priesters een kelk met de wonderbaarlijke hosties de kerk binnendragen. Onder het schilderij staat ‘Het mirakel van 1337’. Op een pilaar in de kerk vind ik een lastig te ontcijferen tekst uit de veertiende eeuw waarin ik woorden als ‘juden’ en ‘entzunden’ (aansteken) meen te herkennen. Belangrijker is een grote metalen plaat op een van de buitenmuren. Die is uit 1993 en opent met Kyrie Eleison, ‘Heer heb genade’. Daaronder staat een tekst waarmee de bisschop en de priesters van Deggendorf de joden om vergeving vragen. ‘De laster, die eeuwenlang in stand werd gehouden, veranderde niet alleen de herinnering aan de joden uit de middeleeuwen in een karikatuur. Ze beschadigde ook de reputatie van hun nakomelingen tot in het meest recente verleden. We vragen de joden, onze oudere broeders, om vergeving voor het onrecht dat hun is aangedaan.’

Schildering boven toegangsdeur Grabkirche Deggendorf. Het mirakel van 1337

De metalen plaat is uit 1993. Vijftig jaar na Mauthausen. Het werd tijd. En het had nog scherper gekund. Maar de plaat laat wel zien hoe de Duitse kerken vandaag denken over jodendom en antisemitisme. In de jaren zeventig stellen de eerste theologen klip en klaar dat Jezus zélf een jood was. En dat niet de joden verantwoordelijk waren voor Jezus’ dood maar de Romeinen. Exegeten beginnen uit te leggen dat je de evangeliën, inclusief de negatieve rol van de joden daarin, niet moet lezen als geschiedschrijving. De schrijvers van de evangeliën zetten het oude jodendom weg als duister omdat ze het nog jonge christendom een helder profiel willen geven. Historici constateren dat twintig eeuwen christelijk anti-judaïsme medeverantwoordelijk was voor de shoah.

Deze ‘theologie na Auschwitz’ blijft niet zonder gevolgen. In 1965, tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie, doet de katholieke kerk een eerste, voorzichtige poging om twintig eeuwen anti-judaïsme te ontmantelen. In 1986 bezoekt paus Johannes Paulus II als eerste paus in de geschiedenis een synagoge. Weer zes jaar later maakt de bisschop van Regensburg een einde aan de Deggendorfer Gnad. Tientallen jaren van pijnlijk zelfonderzoek, decennia waarin de joodse bronnen van het christendom werden benadrukt en waarin voor het eerst naar joodse intellectuelen wordt geluisterd, hebben de christelijke kerken diepgaand beïnvloed. Anti-judaïsme en antisemitisme zijn geen noodlot. Het kan actief bestreden worden.

Op een terras met uitzicht op de Grabkirche drink ik koffie. Op internet lees ik dat in meerdere straten in Deggendorf ‘Stolpersteine’ liggen. Ter nagedachtenis aan vermoorde joodse families kregen drie straten nieuwe namen: de Lauchheimerstrasse, de Roedererstrasse en de Scharfstrasse. Het oude joodse kerkhof is ‘Zur Ehre und zum Gedenken den jüdischen Mitbürgern’ door de gemeente geadopteerd en dient als herdenkingsplaats. Uit de kerk nam ik een aantal folders mee. Een folder heet ‘Laat de democratie in Deggendorf leven’, met als ondertitel ‘diversiteit als kans’. Een andere is de aankondiging van de lezing ‘In de sporen van de joodse geschiedenis in Deggendorf’. Eerst benadrukt de tekst dat de joodse gemeenschap ‘het leven in Deggendorf mede heeft vormgegeven’. Vervolgens spreekt ze de hoop uit dat ze ‘weer tot leven komt’. Voor de onbevangen lezer is het een bemoedigende boodschap. Voor wie zich verdiepte in de geschiedenis van de kerk en het christendom is het een aardverschuiving.

Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Leave a Reply

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

single.php