Eigenhulp kan niet zonder ontwikkelingshulp

Date: 3 februari 2010

‘Minder pretentie, meer ambitie’ verdient behalve lof ook kritiek. Armoedebestrijding krijgt te weinig aandacht, fundamentele keuzes worden slecht verdedigd en wanneer we alle plannen die de WRR voorstelt uit willen voeren, dan stijgt het ‘ontwikkelingsbudget’ al snel van 0,7 naar 7 procent. Gaat het rapport wel over hulp?

minder-prententie-meer-ambitie_final-204x3001. Eén veronderstelling moet snel de wereld uit: de focus van het WRR-rapport Minder pretentie, meer ambitie zou ontwikkelingshulp zijn. Dat is niet zo. Het rapport richt zich op de veranderende plaats van Nederland in een globaliserende wereld. Op de rol die Nederland in dient te nemen in een nieuwe mondiale orde.[1] Zoals alle landen, moet ook ons land zich in deze nieuwe wereld een plaats verwerven. En ontwikkelingshulp is daar een onderdeel van. Maar ontwikkelingshulp zoals we die vandaag kennen, zo meent de WRR, helpt ons in die nieuwe mondiale orde niet vooruit. Alleen voor ontwikkelingshulp die bijdraagt aan ons ‘welbegrepen eigenbelang’ is in de toekomst een rol weggelegd.[2]
De huidige ontwikkelingshulp, zo schrijft de WRR neerbuigend, is gefundeerd op ‘morele motieven’,[3] ze is ‘in essentie armoedebestrijding’,[4]een soort ‘palliatieve’ zorg,[5] gericht op de allerarmsten. En dat zijn dus geen complimenten. Al was het maar omdat Nederland zélf hier maar amper voordeel van heeft.
Centraal in de nieuwe mondiale orde staan ‘mondiale publieke goederen’, zoals een klimaat dat niet verder opwarmt, wereldwijde financiële stabiliteit en internationale veiligheid. Deze mondiale publieke goederen moeten ook mondiaal worden beheerd en een moderne vorm van ‘ontwikkelingshulp’ kan daarin een rol vervullen. Niet alleen Nederland, maar ook arme landen plukken daar uiteindelijk de vruchten van. Armoedebestrijding echter, zo stelt de WRR, draagt niets aan bij aan dit beheer van mondiale publieke goederen. Ontwikkelingshulp als armoedebestrijding is uit. ‘Mondiale ontwikkeling’ is in.
Precies dit pleidooi voor mondiale ontwikkeling is de hoofdschotel van het WRR rapport. Een rapport dat, of je het er nu mee eens bent of niet, zowel leerzaam is als confronterend, zowel rijk van smaak als intellectueel uitdagend. Het is ook een ambitie die iets mag kosten. De armsten echter, de Bottom Billion, spelen in deze ambitie nog maar amper een rol. Met ontwikkelingshulp, het geld dat wordt vrijgespeeld om deze mondiale ontwikkeling vorm te geven, kun je volgens de WRR veel beter een middenklasse ontwikkelen. Deze kan ten minste een bijdrage leveren aan de gemeenschappelijke zorg voor onze mondiale publieke goederen. En daar hebben we uiteindelijk met zijn allen profijt van. De WRR suggereert dan ook dat het verstandig is om het morele motief uit de ontwikkelingshulp te schrappen en armoedebestrijding niet langer als mantra te laten functioneren. ‘De armen hoeven niet per se overal en altijd direct van de gegeven hulp te profiteren.’[6]
Het is verstandig, denk ik, om dit gegeven goed door te laten dringen. Al was het maar omdat de WRR –volgens velen dé denktank van het CDA en de PvdA- hier fundamenteel breekt met het morele, dat wil zeggen, christelijke en humanistische uitgangspunt van ontwikkelingssamenwerking. Dit verklaart onder meer de zuinige reacties van zowel ontwikkelingsorganisaties als van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking op het rapport. Want voor hen, en waarschijnlijk voor de meeste Nederlanders, gaat het in de ontwikkelingshulp wel degelijk om die armen. Niet Nederland, maar zij moeten per se overal en altijd direct van de gegeven hulp profiteren.

2. Klopt nu ook de conclusie die bijvoorbeeld NRC Handelsblad en Arend Jan Boekestijn uit het WRR-rapport trekken? De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid presenteerde Minder pretentie, meer ambitieop maandag 18 januari 2010. Terwijl nog maar weinigen het rapport hadden gelezen –de meer dan 350 A4’tjes verlangen enige dagen intensieve studie- werd het dezelfde dag al de hemel in geprezen. ‘Hulp deugt niet, werkt niet, helpt niet’, jubelde het hoofdredactionele commentaar van het NRC.[7] Triomfantelijk trok Boekestijn in dezelfde editie de conclusie dat de WRR het ‘sacrosancte percentage van 0,7 procent aan de orde stelt’.[8] Daarmee bedoelde Boekestijn dat we best naar 0,4, 0,2 of 0,0 procent aan hulp kunnen.
Nu voert NRC Handelsblad al jarenlang campagne tegen de hulp. Ook Arend Jan Boekestijn wist altijd al dat hulp niet deugt, niet werkt en niet helpt. Verrassend zijn beide conclusies dus niet. Maar na het verschijnen van het WRR rapport steken echter alle media, iedere krant, elk bericht op de radio, negatief in. Dat geldt zelfs voor media die, anders dan NRC Handelsblad, over het algemeen neutraal of zelfs positief staan tegenover de Nederlandse betrokkenheid bij het arme deel van de wereld. ‘WRR: mes in ontwikkelingshulp’ schrijft het protestants-christelijke Nederlands Dagblad bijvoorbeeld. ‘Ontwikkelingshulp moet op de schop’ koppen zowel de Volkskrant en de regionale dagbladen, en de Wereldomroep vat het rapport samen onder de kop ‘Ontwikkelingshulp: onprofessioneel en ineffectief’.
Het meest enthousiast zijn echter de tegenstanders van ontwikkelingshulp. En wanneer hulp niet deugt, werkt en helpt, dan is het natuurlijk ook evident dat we daar geen 0,7 procent van ons nationaal inkomen aan uit moeten geven. ‘Het hek lijkt van de dam’ schrijft de hoofdredactie van NRC handenwrijvend en Boekestijn glundert op dezelfde pagina dat ‘de dijkbewaking van de linkse kerk het niet gaat redden’.
Beweert de WRR nu ook dat hulp niet deugt, werkt en helpt? En constateert de raad inderdaad dat we mínder dan 0,7 procent aan de hulp moeten spenderen? Nee, dat schrijft de WRR expliciet niet. Al evenmin schrijft ze overigens dat hulp wél deugt, werkt en helpt. Of dat we méér als 0.7 procent uit moeten geven. Vragen als deze kunnen, zo menen de opstellers, simpelweg niet in deze termen worden beantwoord.
Die gedachtegang klopt. Wanneer je een aidspatiënt in Malawi vraagt die dank zij de hulp gratis aidsremmers ontvangt, krijg je een onvergelijkbaar ander antwoord dan wanneer je een Congolese Tutsi vraagt, opgejaagd door Hutu-génocidaires die in 1994 werden verpleegd en gevoed met noodhulp tijdens hun verdrijving uit Rwanda. Zo hangt het er ook bij de vraag naar de 0,7 procent van af aan wie je hem stelt, wat je criteria zijn, welke waarde je hecht aan het succes en het falen van de hulp en hoe hoog je verwachtingen waren.

3. Maar de WRR nu – en dat hebben Boekestijn en het NRC niet door- die verwacht meer, véél meer, van de hulp dan je op grond van de berichtgeving over het rapport zou denken. Ook wanneer daarin véél meer geld aan moet worden uitgegeven dan vandaag. Met opzet schrijft de WRR níet dat we mínder dan 0,7 procent aan hulp moeten geven. Weloverwogen gebruikt de raad de cryptische formulering ‘dat de fixatie op de 0,7 procent’ beter vervangen kan worden ‘door een getal waarin ook tot uitdrukking komt wat Nederland doet op andere terreinen die ontwikkelingsrelevant zijn.’[9]
En reken er maar op dat dit getal de huidige 4,7 miljard euro fors zal overtreffen.[10] Vanaf nu gaat het immers om Mondiale Ontwikkeling . Om het beheer van Mondiale Publieke Goederen.
En dat betekent in de voorstellen van de WRR dat ontwikkeling draait om goed functionerende en stabiele financiële markten, om fiscale coördinatie tegen belastingontduiking, om migratiebeleid, om kennisoverdracht en kennisdeling, om regionale samenwerking en integratie, om het versterken van de civil society en om global justice, om de ‘bevordering van coherentie, consistentie en coördinatie van mondiaal economisch en sociaal beleid’, om het maken van afspraken over klimaatdoelstellingen, om het mondiaal beheren van energie en voedsel, om het voorkomen van pandemieën, om ‘aandacht voor bedrijvigheid en kredietvoorziening voor het midden- en kleinbedrijf, in ontwikkelingslanden’ om research and development bij universiteiten… Inderdaad: diarree, kindersterfte, schoon water, honger, malaria: de klassieke thema’s zijn allang naar de rand geschoven, in zoverre ze er al niet overheen gevallen zijn.
Ambitie is een understatement. De plannen die de WRR hier ontvouwt zijn ontzaglijk, imposant en kolossaal. Ga er maar aanstaan, denkt de lezer na 350 pagina’s Minder pretentie, meer ambitie. Hier gaat het al lang niet meer over wat doorgaans wordt verstaan onder ontwikkelingshulp. Dit WRR-rapport is niet minder dan een blauwdruk voor Global Governance anno 2050.
Geen wonder dat de verantwoordelijkheid van deze enorme operatie bij het Ministerie van Algemene Zaken moet komen te liggen.[11] Is Ontwikkelingssamenwerking vandaag nog een onderafdeling van Buitenlandse Zaken, Mondiale Ontwikkeling is niet minder Chefsache. De leiding ligt direct bij de Minister President, met de minister van Ontwikkelingssamenwerking als diens linker- en de minister van Buitenlandse Zaken als zijn rechterarm. De rest van de departementen vouwt zich hier gezwaluwstaard omheen.[12]

4. Leerzaam, confronterend, rijk van smaak en intellectueel uitdagend: bij nader inzien kunnen we beter spreken van revolutionair. Toch pikt de buitenwacht maar twéé gerechten uit deze immense Brabantse koffietafel aan ideeën en voorstellen: dat zijn het vermeende mislukken van de hulp en de vermeende verlaging van de 0,7 procent. Niet één medium wijst op het onderliggende pleidooi voor mondiale ontwikkeling. Je komt niet één bericht tegen met een kop als ‘WRR bepleit mondiale ontwikkeling’ of ‘Nederland moet het voortouw nemen in debat over globalisering’ of ‘Armoedebestrijding is goed, ontwikkeling is beter’ dan wel ‘Mondiale ontwikkeling moet verantwoordelijkheid worden van premier’.
Eén reden voor deze totale negatie in de media, lijkt de presentatie van het rapport op 18 januari 2010 in Nieuwspoort zelf. Terwijl de auteurs er ín het rapport op wijzen dat het arme deel van de wereld er de afgelopen zestig jaar sterk op vooruit is gegaan, stelde projectleider Peter van Lieshout zuinigjes dat ‘Hulp, af en toe, onder bepaalde condities, enige rol kan vervullen’.
Van Lieshout bedoelde waarschijnlijk dat hulp evident heeft bijgedragen tot het wereldwijde elimineren van de pokken en rivierblindheid, tot het uitroeien van polio in 188 landen, tot het beheersbaar maken van aids in Afrika, tot het terugdringen met de helft van het aantal kinderen dat sterft aan diarree, tot het opvoeren tot 85 procent van het aantal kinderen dat naar de basisschool gaat, [13] maar dat je wetenschappelijk gezien niet kunt aangeven hoe groot het aandeel van de hulp daarin was. Wanneer je dergelijke overwegingen echter zo mismoedig presenteert, dan is het niet verwonderlijk dat journalisten de conclusie trekken dat ‘Hulp niet deugt, niet werkt en niet helpt.’
Nu is de presentatie van het WRR-rapport echter niet de belangrijkste reden waarom de media constateren dat vijftig jaar hulp niets heeft uitgehaald. Het belangrijkste probleem lijkt mij de invulling die de schrijvers –econoom Robert Went, sociaalwetenschapper Monique Kremer en sociaalfilosoof Peter van Lieshout- geven aan centrale termen als hulp, groei en ontwikkeling. Hier stoten we op een belangrijke omissie in het hele rapport, een omissie die wellicht valt terug te voeren op het feit dat geen van de auteurs voeling heeft met de wereld van ontwikkelingssamenwerking.
Kremer, Went en Van Lieshout vullen begrippen als hulp, groei en ontwikkeling in op een geheel andere wijze dan doorgaans gebeurt in teksten over ontwikkelingssamenwerking. Ontwikkelingshulp lijkt bij hen op voorhand te staan voor mondiale ontwikkeling; en mondiale ontwikkeling voor economische groei. Wanneer je de resultaten van vijftig jaar ontwikkelingshulp dan met terugwerkende kracht langs deze maatstaven legt, kun je inderdaad niet meer dan stellen dat hulp, af en toe, onder bepaalde condities, enige rol wist te vervullen.

5. De visie op ontwikkelingshulp die de raad hanteert, wringt dan ook sterk met het huidige denken over hulp.
Was hulp, zoals de WRR zelf constateert, in de Koude Oorlog een politiek instrument om ontwikkelingslanden in het westerse kamp te houden,[14] sinds de jaren ’90 staat ‘hulp’ voor de directe bestrijding van armoede onder de armsten en níet langer voor stimulering van de economie.[15] De centrale denker is hier Jeffrey Sachs met zijn beroemde pleidooi om hulp direct ten goede te laten komen aan de armsten en hun armoede van onderop uit te roeien.
Ook ‘groei’ wordt in het ontwikkelingsdiscours sinds de jaren ’90 specifiek ingevuld, en wel als de groei van zowel de levensverwachting, de geletterdheid als de kwaliteit van leven van mensen. Hier is de centrale denker Mahbub ul Haq, grondlegger van de Human Development Reports waarin van deze groei verslag wordt gedaan.
‘Ontwikkeling’ tenslotte, staat sinds de jaren ‘90 voor de ontwikkeling van capabilities. Ontwikkeling van de mogelijkheid van mensen om zelfstandig hun armoede te overstijgen en níet voor mondiale ontwikkeling zoals de WRR definieert. De belangrijkste denker op dit vlak is Amartya Sen, met zijn pleidooi om ontwikkeling op te vatten als de toename van de vrijheid van individuele mensen om hun leven vorm te geven.[16]
Nu staat het de WRR natuurlijk vrij om gevestigde termen een geheel nieuwe invulling te geven, maar dan hadden de auteurs daar expliciet rekening van af moeten leggen. En, belangrijker nog, dan hadden zij de gevestigde theorie duidelijk moeten benoemen, bekritiseren en waar mogelijk weerleggen.[17]
Dat doen zij echter niet. Jeffrey Sachs, Mahbub ul Haq en Amartya Sen, de drie belangrijkste namen in het huidige denken over ontwikkeling, komen in het WRR-rapport respectievelijk 4, 0 en 2 keer voor. Wie daarentegen meer dan 50 keer wordt aangehaald, is de macroeconoom William Easterly, met Dambisa Moyo (2 keer aangehaald) een van de felste critici van het gangbare denken over de hulp. Dat is een gemis met consequenties. Nu lijkt de exercitie die de WRR hier uitvoert, op een rapport over de toekomst van de evolutietheorie, waarin maar amper aandacht wordt besteed aan Charles Darwin, Stephen Jay Gould en Richard Dawkins en des te meer aan Cees Dekker en Maria van der Hoeven.

6. Moeten we ons inderdaad niet langer richten op armoedebestrijding, zoals de WRR stelt? Moeten we breken met de benadering van Sachs, Ul Haq en Sen, om volledig in te zetten op Mondiale Ontwikkeling? Moet Nederland een koers gaan varen waarvan wíj veel voordeel hebben, maar waarin de armen niet meer rest dan de hoop dat zij daar op termijn in mee mogen liften? Nee. Wat mij betreft zou de regering deze keuze niet moeten maken. Ze hoeft haar zelfs niet te maken, want inzet op mondiale ontwikkeling laat zich prima vergezellen door ontwikkelingshulp, door directe hulp aan de allerarmsten.
Twee argumenten voor deze integrale benadering, komen nota bene uit het WRR rapport zélf. Op de eerste plaats constateert het rapport dat de meest succesvolle vormen van ontwikkeling precies daar plaatsvonden waar het ‘klassieke ontwikkelingsdenken’ op heeft ingezet. ‘Welzijnsindicatoren, in het bijzonder op het terrein van gezondheidszorg, onderwijs, voeding en politieke en sociale rechten (inclusief de positie van vrouwen en kinderen) laten een overwegend positief beeld zien. Indicatoren van sociaal-economische aard geven een veel diffuser beeld’, constateert de WRR.[18] De data die het rapport vervolgens levert, stemmen inderdaad tot optimisme.
De afgelopen decennia halveerde de kindersterfte in ontwikkelingslanden. In Afrika steeg het aantal kinderen dat naar school ging van 29 naar 70 procent, het percentage mensen in absolute armoede daalde wereldwijd en ook in Afrika is sinds 2000 een kentering zichtbaar. Het is dan ook meer dan verstandig om de ontwikkelingsaanpak die nu door de WRR wordt verworpen door te zetten, zij het met alle aanpassingen die nodig en mogelijk zijn om negatieve effecten van de hulp te voorkomen.
Een tweede argument om armoedebestrijding als ontwikkelingsdoel niet ter zijde te schuiven, is de publieke steun voor deze vorm van hulp. Je hoeft geen communicatiewetenschapper te zijn om te voorspellen dat ‘de bevordering van coherentie, consistentie en coördinatie van mondiaal economisch en sociaal beleid’ de harten de gemiddelde Nederlander niet sneller zal doet kloppen, doet het helpen van gewone mensen in abominabele omstandigheden dat wél. Dat weet ook de WRR. ‘Een groot deel van de ontwikkelingshulp is gericht op concrete armoedebestrijding en de verbetering van levensomstandigheden, gericht op het hier en nu (…) deze vorm van hulp heeft ook een breed draagvlak in de Nederlandse samenleving. Veel burgers, zo blijkt, raken steeds meer persoonlijk bij dit soort hulp betrokken en nemen zelf initiatieven.’[19] Zeker voor een raad die de regering adviseert, is aandacht voor het publieke draagvlak onder mondiale maatregelen een condicio sine qua non.
De afwijzing van de WRR van ontwikkelingshulp die gefundeerd is op ‘morele motieven’, die ‘in essentie armoedebestrijding’ is, een soort ‘palliatieve’ zorg, gericht op de allerarmsten, betekent niet alleen het schrappen van de meest succesvolle delen van ontwikkelinghulp, maar ook het onderuit halen van de publieke steun zonder welke mondiale ontwikkeling geen schijn van kans maakt.

Ralf Bodelier. Journalist, schrijver en leider van het Wereldpodium in Tilburg. Hij is onder meer auteur (met Mirjam Vossen) van ‘Hulp. Waarom ontwikkelingshulp moet, groeit en verandert’. (2007)

________________________________________
[1] Minder pretentie, meer ambitie. ontwikkelingshulp die verschil maakt. WRR, Amsterdam – Den Haag 2010
Pagina 240
[2] Minder pretentie. Pagina 12
[3] Minder pretentie. Pagina 38
[4] Minder pretentie. Pagina 119
[5] Minder pretentie. Pagina 173
[6] Minder pretentie. Pagina 279
[7] Redactioneel commentaar. Hulp met de feiten. NRC Handelsblad 19 januari 2010
[8] Arend Jan Boekestijn. Hulp à la Koenders helpt dus niet. Minister Koenders moet zijn beleid nu ook van de WRR bijstellen. NRC Handelsblad 19 januari 2010
[9] Minder pretentie, meer ambitie. Pag. 14.
Elders, op pag. 287, schrijft de Raad ‘Het zou van gepaste ambitie getuigen om ook de vervolgstap te zetten en de vraag naar de betekenis van 0,7 procent van het nationaal inkomen voor ontwikkelingshulp te stellen. Toen die norm in de jaren zestig ontstond, drukte ze de geschatte omvang van de hulpbehoefte van ontwikkelingslanden uit, maar sinds de jaren zeventig heeft ze het karakter van een politiek gefundeerde internationale norm die op internationale toppen en conferenties steeds is bevestigd. Zo’n norm past echter bij een geïsoleerd stelsel van ontwikkelingshulp, terwijl ontwikkeling in een interdependenter wordende wereld steeds meer afhangt van andere zaken. Het wordt dan ook interessanter, en beter passend bij deze nieuwe werkelijkheid, om te proberen een nieuw maatstaf te formuleren waarin niet alleen hulp is opgenomen, maar ook de Nederlandse inzet op voor ontwikkelingsbeleid relevante internationale regelgeving en publieke goederen. Dat leidt ook tot een veel vruchtbaarder debat dan de eeuwige vraag of ons budget voor ontwikkelingshulp meer of minder moet zijn dan 0,7 of 0,8 procent.’
[10] Dat stelt de WRR nergens expliciet, maar een slip of the pen wijst daar wel degelijk op. Cursivering van mij: ‘Toch gaat in Nederland als het over ontwikkelingshulp gaat, nog steeds bijna alle aandacht uit naar het kleine stukje bbp dat bij de minister voor Ontwikkelingssamenwerking op de begroting staat. Minder pretentie. Pagina 279
[11] Minder pretentie. Pagina 239
[12] Minder pretentie. Pagina 246
‘Daarnaast zou de portefeuille van de huidige minister voor Ontwikkelingssamenwerking opgewaardeerd moeten worden tot een takenpakket dat uit twee herkenbare onderdelen bestaat: het aansturen van nlaid en het formuleren van een Nederlandse globaliseringagenda, waarin een aantal mondiale vraagstukken in samenhang wordt beschouwd en een Nederlands perspectief daarop wordt ontwikkeld. Deze minister beheert nlaid dan nog wel als eigen domein, maar fungeert verder, net als de minister van Buitenlandse Zaken, vooral als verlengstuk van de ministerpresident.’ Minder pretentie. Pagina 288
[13] Minder pretentie. Pagina 28
[14] Minder pretentie. Pagina 30
[15] Ontwikkelingshulp als middel tot modernisering, en daarmee tot economische groei, was op zijn best het uitgangspunt tot 1970. Daarna namen theorieeen het over die economische groei niet langer voorop stelden. Minder pretentie. Pagina 133
[16] Tegen mijn keuze om deze drie intellectuelen in het hart van het ontwikkelingsdiscours te plaatsen, kan veel worden ingebracht. Waarom Sachs, Ul Haq en Sen, en waarom niet bijvoorbeeld invloedrijke Wereldbankeconomen als David Dollar, Martin Ravallion of Lant Pritchett? Deze wetenschappers wijzen immers wél op het belang van economische groei, fysieke infrastructuur en good governance. Twee redenen: deze economen kunnen qua publieke belangstelling én persoonlijke invloed op het denken over ontwikkeling niet in de schaduw staan van mannen als Sachs en Sen. Bovendien zijn zij op de eerste plaats empirische onderzoekers, en pas in de tweede plaats ontwerpers van nieuwe inzichten en ideeen, de corebusiness van bovengenoemde intellectuelen.
[17] Wat een bijzonder interessante excercitie had kunnen zijn. Want, de directe aanpak die denkers als Sachs, Ul Haq en Sen voorstellen, de Human Development Theory, gaat vergezeld van een indrukwekkend discours aan gegevens, verhalen en politieke maatregelen, denk bijvoorbeeld aan de Millennium Development Goals, de Bottom of the Pyramid-methode en de microbenadering (Microfinance, microinsurance, microjustice).
[18] Minder pretentie. Pagina 97
[19] Minder pretentie. Pagina 278

Leave a Reply

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

single.php