Hongaarse xenofobie is niet verwonderlijk*

Date: 22 september 2015

terror_haza__andrassy_ut_60_by_gavrinisIk sta in een korte rij voor het gigantische pand aan de Andrássy Boulevard nummer 60 in het hart van Boedapest. Ik sta te wachten onder een immense metalen luifel, waarin het woord Terror, de communistische ster en het fascistische pijlkruis zijn uitgespaard. Staat de zon hoog aan de hemel, dan projecteert de overkapping het woord en de symbolen helder op het plaveisel. [Uit: Ralf Bodelier, ‘Bomen hebben wortels, mensen hebben benen. Essays. 2004]

.

Andrássy Ut. 60 is sinds maart 2002 het Terror Háza, het Hongaarse ‘Huis van de terreur’. Een museum over zowel de terreur onder de nazi’s als onder de communisten. Hier hadden in de Tweede Wereldoorlog de nationaal-socialistische Pijlkruisers hun folterkamers. Daarna martelden in dit gebouw de communistische veiligheidsdiensten. Uitzonderlijk was deze continuïteit niet. Want in laaghartigheid deden beide regimes niet voor elkaar onder. Geboefte dat voor de nazi’s het vuile werk opknapte, werkte even later weer voor de communisten. Andrássy Ut. 60 claimt nu beide regimes naast elkaar te zetten, hen in hun gruwelijkheid te vergelijken en alle overeenkomsten onder de aandacht van een groot publiek te brengen.

Dat is goed. Dat is uitstekend. Want een even kritische als onbevangen blik op het eigen verleden was in Oost-Europa tot 1989 simpelweg onmogelijk. En dat gold bij uitstek voor de onaangename perioden in dat eigen verleden. In West-Europa zijn deze perioden inmiddels opgenomen in het collectieve geheugen, een proces dat leidde tot een zekere ideologische en politieke bescheidenheid. De nieuwe landen van de Europese Unie zijn daarentegen nog maar amper met de verwerking van hun geschiedenis begonnen.

De tijd dringt. Want in Oost-Europa leven veel sterkere nationalistische sentimenten dan in het Westen. Soms zijn die sentimenten mild en relativerend. Zoals de warme Tsjechische gevoelens voor de lotgevallen van de Brave Soldaat Svejk of de onverhulde Sloveense trots op de grotten van Postojna. Dikwijls zijn die sentimenten echter ook populistisch en opruiend. Dan roepen de Poolse boerenleider Andrzej Lepper of de Hongaarse volksmenner Istvan Csurka op tot nationale weerstand. Of tot verzet tegen alles wat van buiten komt, te beginnen met de Europese Unie.

Té vaak is het Oost-Europese nationalisme ronduit haatdragend en gevaarlijk. Dan laten Esten, Letten en Litouwers hun haat de vrije loop tegen de grote Russische bevolkingsgroepen in hun steden. Dan ventileren de Slowaken hun walging jegens de 500 duizend Roma in hun land. Dan zetten de Hongaren hun verhouding op scherp met Roemenië, waar sinds 1920 een grote Hongaarse minderheid woont.

.

In waarheid leven

Intieme kennis van het bloedige verleden, zowel van de nationaal-socialistische als de communistische periodes, zouden deze nationale sentimenten enigszins kunnen dempen. Dat is niet alleen de West-Europese ervaring, dat is ook de les die voormalige Oostblokdissidenten als Vaclav Havel, Adam Michnik en György Konrád onderwijzen. De totalitaire regimes waren immers evenzeer gebouwd op het vergeten van de geschiedenis, als op het verdraaien daarvan.

Niet zonder reden roept Vaclav Havel op om ‘in waarheid te leven’. Onder andere in de waarheid dat er in de tijd van de terreurregimes geen eenvoudige tegenstelling bestond tussen de buitenlandse (Sovjet-Russische) macht enerzijds en nationale (Tsjechische, Poolse of Hongaarse) onmacht anderzijds. Geen enkel totalitair systeem kon en kan bestaan zonder de voortdurende collaboratie van meelopers, conformisten en angsthazen. Op zijn manier is iedereen zowel slachtoffer ván, als pijler ónder het systeem. Voor een al te uitbundige nationale trots is er in de postcommunistische landen dan ook weinig reden.

Dat maakt me nieuwsgierig. Hoe zullen de oude Oostbloklanden hun geschiedenis presenteren? Hoe rijmen ze hun eerdere betrokkenheid bij de perfide regimes en hun huidige nationale trots? En interessanter nog: hoe komen ze in het reine met twéé opeenvolgende terreurregimes? Want niet alleen de communisten, ook de nazi’s maakten ruim gebruik van lokale krachten.

(….)

Het Terror Háza heeft een boodschap. Want het museum gaat niet alléén over het communisme. Het Terror Háza legt ook een verband met dat andere totalitaire systeem van de 20e eeuw: het nationaal-socialisme.

(…)

In het Terror Háza mag blijkbaar niet iedereen zijn licht opsteken. Voor de deur houdt een forse kaalkop in krijtstreep de wacht. Wanneer ik aan de beurt ben om binnen te gaan, bestudeert hij me minachtend van kop tot teen. Dan pas opent hij de deur.

Aan het eind van een lange marmeren trap staan twee grafstenen, een in rood, een in zwart. Ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de rode én de zwarte terreur. Links ligt de foyer van het museum. Opnieuw in rood en zwart, maar nu dreigend en somber. Uit luidsprekers daveren zware strijkers, alsof de baspartijen van Sepultura worden uitgevoerd door de cellisten van Bayreuth.

Geïntimideerd door de kaalkop, door de lange trap en het dreunende klanktapijt, vervoeg ik me bij de ticketverkoop. Jo napót zeg ik vriendelijk en legt duizend forint – vier euro – op de balie.

.

Kaalkop

‘Bent u Hongaar?’, vraagt de verkoopster achterdochtig. ‘Nee’. ‘Dan is het drieduizend forint.’

Ik protesteer. Waarom moet ik drieduizend forint betalen? Iedereen betaalt hier duizend forint.

‘Omdat u geen Hongaar bent’, zegt de verkoopster. ‘Hongaren betalen duizend. Alle buitenlanders drieduizend. En als u het daar niet mee eens bent, neemt u maar contact op met de directie.’

Met een verstoord humeur loop ik dan verder, door een museum dat zich duidelijk heeft laten inspireren door de effectenrijkdom van Adventureland. En het resultaat is dan ook even lawaaierig als overrompelend.

Boven een spiegelende bak water op de voormalige binnenplaats staat een van de tanks die de Sovjets in 1956 gebruikten bij het neerslaan van de Hongaarse Opstand. Aan de wanden rondom hangen honderden in aluminium gegoten foto’s van slachtoffers van het Sovjet-Russische schrikbewind. Het water onder de tank weerspiegelt de portretten en creëert zo het beeld van een machine die alles en iedereen verplettert.

Een trap leidt naar het begin van de tentoonstelling. In de eerste ruimte tonen acht grote monitors onophoudelijk hetzelfde beeld: dat van bulldozers die bergen lijken in massagraven schuiven. De Goelag-zaal op dezelfde verdieping is een buitenproportionele veewagon met een plattegrond van de Sovjetkampen als tapijt. Videoschermen zijn ramen waarachter een eindeloos Siberisch landschap voorbijtrekt. Overal dreunen marsen, galmt treurmuziek, klinkt radiopropaganda. Slachtoffers verhalen op televisieschermen hun ervaringen. Suppoosten van dezelfde garnituur als de kaalkop bij de voordeur, dwingen de bezoekers van kamer naar kamer.

Een grote lift brengt ons ten slotte tergend langzaam naar de kelders met verhoorkamertjes, martelhokken en executieplaatsen. Op een fors videoscherm tegen de achterkant van de lift vertelt een oude man op indringende wijze hoe de communisten hem hier folterden. Hoewel de kooi maar één verdieping lager zakt, is het een hellevaart die minuten lijkt te duren. Met samengekrompen maag trek ik dan langs de nauwgezet gereconstrueerde pijnbanken, langs cellen waarvan de vloer permanent onder water werd gezet en voorbij een ruimte waar zes galgen nog steeds op klanten lijken te wachten.

.

Alleen het kwaadaardige communisme

De kaalkop bij de ingang, de drievoudige entreeprijs voor buitenlanders, dat beviel me al niet. Er is meer dat me niet bevalt. Zo pretendeert het Terror Háza dat het een museum is over de terreur die communisten én nationaal-socialisten in Hongarije uitoefenden.

Dat doet het niet. Maar liefst 20 van de 22 tentoonstellingsruimten zijn gereserveerd voor het communisme. Die beperken zich bovendien tot de meest kwaadaardige periode: tussen de komst van de Russen in april 1945 en de Hongaarse Opstand in oktober 1956. In deze jaren gaan honderdduizenden Hongaren op transport naar de Sovjetkampen. Een reis waarvan velen nooit meer terugkeren.

Na 1956 verandert het Hongaarse communisme echter stapsgewijs in een meer soepele variant. In de loop van de jaren zestig wordt Hongarije zelfs een van de meer liberale Sovjetsatellieten, ‘de vrolijkste barak van het kamp’. In 1956 verlaat ook de ÁVH, de gehate veiligheidsdienst, dit pand aan de Andrássy Ut. Het huidige museum wordt verbouwd tot kantoor.

Over deze kwart eeuw aan versoepeling ontbreekt in het Terror Háza elke informatie. Daarentegen tonen monitoren in de laatste tentoonstellingsruimte de aftocht van het Rode Leger in 1990. Zo suggereren ze, volstrekt ten onrechte, dat de terreur van het Russische bewind tot het einde toe in stand bleef. Onterecht is ook de suggestie dat de communisten aan de zes galgen in de kelder hun gevangenen ophingen. De nazi’s executeerden in deze kelders inderdaad hun slachtoffers. De communisten moordden ook, maar zij deden dat elders.

Net als de geschiedenis van ná 1956 heeft het Terror Háza ook de geschiedenis voorafgaand aan de komst van de communisten bewerkt. Zo tonen de twee ruimten die de nazi-tijd exposeren alléén de periode van maart 1944 tot april 1945. Dertien maanden waarin de nazi’s Hongarije bezetten en waarin rond de 550.000 Hongaarse joden worden vermoord. Over deze periode meldt de museumgids dat ‘Hongarije onder de Duitse bezetting haar joodse burgers geen veiligheid meer kon bieden, waarna de deportaties begonnen’.

Dat is een uiterst discutabele uitspraak. Want na de inval van de Duitsers zijn het net de Hongáárse nazi’s, de Pijlkruisers, die stad en land afstropen op jacht naar hun joodse medeburgers. Bovendien voerde Hongarije al in 1938 anti-joodse wetgeving in, wat de positie van de joden in de aanloop naar de Duitse bezetting er bepaald niet sterker op maakte. Het feit dát Hongarije pas in 1944 door de Duitsers werd bezet, is bovendien te danken aan het dubieuze regime van admiraal Miklós Horthy, dat nazi-Duitsland openlijk steunt en later ook troepen zal leveren voor de Duitse legers aan het Oostfront.

.

Wat de bezoeker begrijpen moet

Wat de bezoeker in het Terror Háza moet begrijpen is duidelijk.

Eén: Nationaal-socialisme én communisme zijn moordzuchtige, buitenlandse regimes. Hongarije en de Hongaren zijn daarentegen onschuldig. Terreur kwam altijd van buitenaf. Eerst uit Duitsland, vervolgens uit Rusland.

Twéé: Van beiden vormen van terreur was de Sovjet-Russische de meest gruwelijke. De nazi-tijd was louter een opmaat tot het werkelijke kwaad.

Bij het verlaten van het pand valt me plots op dat het lettertype voor ‘Terror’ in de zwarte overkapping zó is gekozen, dat het van onderaf cyrillisch oogt. De Andrássy Boulevard verandert in een sinistere straat. En Boedapest in een stad vol wegglippende schaduwen van een verleden dat zich niet door het heden wil laten betrappen.

(…)

_____________________________

* Naschrift september 2015
Dat Slowakije, Tsjechië, Hongarije en Roemenië zich in september 2015 zo fel verzetten tegen de opvang van vluchtelingen is niet verwonderlijk. De humanistische traditie die West-Europa na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde, is aan het Oosten vrijwel voorbij gegaan. Een pijnlijk voorbeeld van de kloof die West- en Oost-Europa in dit opzicht scheidt, is het  ‘Terror Haza’ museum in Boedapest. Niet lang na de opening van dit museum in 2002 bezocht ik zes ‘historische  musea’ in voormalig Oost-Europa en schreef er een paar essays over. In Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechie en Hongarije probeerden de toenmalige regeringen het communistische én nationaal-socialistische verleden in één museum te verbeelden. Maar wat ze feitelijk deden, was het nationaal-socialisme vergoelijken en het communisme vereenzelvigen met het ultieme kwaad. Op één museum na (in Riga, Letland) bleek geen van allen in staat tot enige zelfreflectie. In bovenstaande tekst behandel ik louter het Terror Haza museum in Boedapest, Hongarije.

Leave a Reply

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

single.php