Van Jeruzalem naar Bouillon Deel #3: Herinnering aan christelijk anti-judaïsme. (Groene Amsterdammer)

Date: 13 maart 2020

Liturgie in de kruisvaarderskerk van Abu Gosh.


In een zoektocht naar creativiteit, humanisme en vooruitgang loopt filosoof Ralf Bodelier dit jaar een omgekeerde kruistocht van Jeruzalem in Israël naar Bouillon in de Belgische Ardennen. In deel drie: Bodelier ontdekt een anti-joodse fresco in een christelijke kerk. En toch verontrust die hem niet.

Groene Amsterdammer 15 maart 2020

Op 18 kilometer van de oude stad van Jeruzalem ligt het Arabisch-Israëlische stadje Abu Gosh. De wandeling ernaartoe is er een van klimmen en dalen. In Abu Gosh staat een Benedictijnenklooster. Daar ga ik overnachten. En in de kerk van dat klooster ontdek ik een grote en expliciet anti-joodse afbeelding. Dat is opmerkelijk in het joodse land. Over die kerk en die afbeelding wil ik het zo meteen hebben. Maar eerst dit.
In Bijbelse tijden heette Abu Gosh nog Emmaus. Wie ooit op een christelijke school zat, of anderszins iets van het christendom meekreeg, kent Emmaus van een beroemd en enigszins spooky verhaal uit het evangelie van Lucas. Dat verhaal speelt zich af op paaszondag, drie dagen na Jezus’ dood. Die zondagochtend ontdekken vrouwen dat het graf van de gekruisigde leeg is. Engelen vertellen hen vervolgens dat Jezus uit de dood is opgestaan. Vervolgens laat Lucas twee van zijn leerlingen naar Emmaus wandelen, een dorp zo’n achttien kilometer van Jeruzalem vandaag.

Het is goed om te beseffen dat beide mannen joden waren, zoals Jezus en vrijwel alle anderen in de evangeliën ook joden waren. De leerlingen zijn zwaar aangeslagen en bespreken de opmerkelijke situatie. Dan voegt zich een vreemdeling bij hen. Lucas vertelt er meteen bij dat het de opgestane Jezus is, maar beide leerlingen zijn zo van streek dat ze hem niet herkennen. Pas uren later, wanneer zij samen eten en Jezus als vanouds het brood breekt en de wijn deelt, valt het kwartje. Spoorslags is Jezus dan verdwenen.
Twaalf eeuwen later wordt Jeruzalem dan veroverd door de Kruisvaarders. Zij gaan op zoek naar het historische Emmaus en vinden het in een oude karavanserai, het huidige Abu Gosh. Zij zetten er een burcht neer en bouwen een kerk. De burcht zal uiteindelijk weer verdwijnen, de kerk blijft intact. Op de fundamenten van de burcht staat nu de abdij van de ‘Benedictijnen van de Olijfberg’. Dat is een vriendelijke en contemplatieve, uit Italië overgewaaide orde. En in het gastenverblijf van deze abdij breng ik enkele nachten door. Ik eet met de broeders en ga uit respect voor hun gastvrijheid naar de gebedsdiensten. Een straf is dat overigens niet, want de liturgie is prachtig. Samen met de zusters Benedictinessen zingen de broeders de sterren van de hemel.

Een lange dienst is een perfecte gelegenheid om eens rustig het kerkinterieur te bestuderen. En dat doe ik dan ook. De kruisvaarders brachten er prachtige fresco’s aan met figuren uit de bijbel en de vroege kerk. Maar veel van die figuren missen iets. Ze hebben geen ‘gelaat’. Hoe verfijnd hun kleren en attributen ook zijn weergegeven, de gezichten lijken wel weggeschuurd, althans tot op zo’n vier meter hoogte. Het duurt even tot het kwartje valt. Dan begrijp ik dat deze kerk na het vertrek van de kruisvaarders in de 13 eeuw in handen moet zijn gevallen van de moslims. Omdat moslims, net als joden, geen mensen mogen afbeelden, hebben ze de gezichten uit deze fresco’s weggepoetst. Blijkbaar waren de ladders niet langer dan een meter of drie, reden waarom boven de vier meter alles nog intact is.

Een van die ongeschonden fresco’s nu, bevindt zich op een muur tegenover de ingang. Het toont een engel die hardhandig een vrouw uit beeld duwt. De vrouw kijkt verschrikt weerom, in haar hand draagt ze een banier die halverwege is geknakt. Boven de vrouw staat ‘Synagoga’.
Ik herken het soort afbeelding. Een vergelijkbaar beeld staat rechts, boven de ingang van de Notre Dame in Parijs. Daar zijn de ogen van ‘Vrouwe Synagoge’ bovendien verblind door een kronkelende slang. Ze houdt de joodse wet ondersteboven vast, terwijl een kroon aan haar voeten ligt. Tegenover dit beeld, links van de ingang van de Notre Dame, staat haar tegenhanger. Dat is ‘Vrouwe Ecclesia’ ofwel ‘Vrouwe Kerk’. Zij draagt een wijnbeker, haar banier is ongebroken en op haar hoofd rust een kroon. Frank en vrij kijkt zij de wereld in.

Door enorme brand van vorig jaar, is de Notre Dame nog wel even dicht. Maar ooit zullen weer honderdduizenden onder de beelden door naar binnen lopen. Zouden ze beseffen waar ‘Vrouwe Synagoge’ en ‘Vrouwe Ecclesia’ voor staan, dan zou hen dat maar matig bevallen. Want deze beelden behandelen niet minder dan de ondergang van het jodendom en de overwinning van het christendom. Volgens een aloude christelijke theologie is het christendom de natuurlijke opvolger van het jodendom. Jezus Christus is immers de Messias waar joden zo lang naar uitkeken. Helaas voor de christenen zagen en zien de joden dat anders, reden waarom het jodendom weigerde zichzelf op te doeken. Sindsdien is Vrouwe Synagoge blind. De eigen joodse wet, de tien geboden, zijn voor haar gesloten en de leiding over de wereld is zij kwijtgeraakt. Die kroon draagt nu Vrouwe Kerk, evenals het banier en de beker met daarin het offerbloed van Jezus.
De symboliek van beide vrouwen is al zo oud als het christendom. En ze miste haar uitwerking niet. Wie gedoemd was te verdwijnen, die diende ook te verdwijnen. Al in de tijd van de kruisvaarders werden joden massaal over de kling gejaagd. De eerste slachtoffers van de christelijke horden op weg naar Jeruzalem waren immers geen moslims. Dat waren de joden in het Rijnland. Duizenden, zo geen tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen werden door de christenen onthoofd, gespietst of levend verbrand in wat achteraf gezien kan worden als de ‘eerste holocaust’.

Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben vrijwel alle christelijke kerken van hun anti-judaïsme afstand genomen. Vandaag lijkt Jodenhaat nergens zo sterk te worden afgewezen dan juist onder christenen. Juist daarom raakt mij deze acht eeuwen oude en maar al te concrete herinnering aan een wrede tijd op deze kerkmuur in Abu Gosh. Net als het beeld boven de ingang van de Notre Dame, toont ook dit fresco onversneden anti-judaïsme, in een gebouw nog wel, gewijd aan de bekendste jood aller tijden en in het hart van het joodse land. Het is een afbeelding die me zou moeten verontrusten.

Toch voel ik die onrust niet. Al was het maar omdat middeleeuwse beeldentaal ook onder gelovigen nog maar amper wordt verstaan. Bovendien vermoed ik dat deze afbeelding de huidige gebruikers van deze kerk maar amper interesseert. Ik vermoed dit, omdat de broeders en zusters Benedictijnen het ook nooit nodig vonden om de weggepoetste gezichten van hun heiligen en helden te herstellen. Ook voor de monniken zijn de kerk, incluis haar kunstwerken, op de eerste plaats kunstgeschiedenis. En de anti-Joodse afbeelding van Vrouwe Synagoge is daar nu eenmaal onderdeel van.
Nelson Mandela die in de jaren ’90 ook met een bijzonder pijnlijke geschiedenis worstelde, zei het toen zo. ‘Laten we het vreselijke verleden dat achter ons ligt, nooit vergeten. Maar niet als een manier om ons op een negatieve wijze aan het verleden geketend te houden, maar eerder als een gelukkige herinnering aan hoever we zijn gekomen en hoeveel we hebben bereikt.’

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Leave a Reply

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

single.php